Willem de Mérode

Losse fragmenten uit ‘De Rozenhof’

Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden,
Die niet verloren ging in schaamte en zonden,
Wat weet hij van Uw Goddelijk geduld
Uw diepste liefde heeft hij nooit gevonden.

Heer, liefde hebt Gij van mij weggenomen,
Maar ook ’t gehuichel van de schijnbaar vromen.
Zij dringen ver van zondaars zich tezaam.
’t Is goed, laat mij maar eenzaam tot U komen.

Zij zeggen: “Wij vergeven, maar ga heen!
Wij hebben met de zondaars niets gemeen.
Wie God verliest, wordt van Zijn volk verstooten.”
Maar de verlaat’nen vinden God alleen.

Als Gij de schelp mijns levens opensteekt,
Op zoek naar schat dit broze lichaam breekt,
Zie, ’t scherpe leed dat Gij liet binnendringen,
Heb ik met zorg tot parel opgekweekt.

Hij had den hamer in Zijn hand genomen.
Ik zág den slag, en kromp in angstig schromen.
God! Sla de wanden van mijn hart niet in!
Hij zei: “Hoe zou Ik anders binnenkomen?”

’t Hart dat niet zwierf, kan nimmer thuisgeraken.
Die wereld wòn, kan haar alleen verzaken.
Die zich verloor, hervindt zichzelf in U.
Slechts zondaars kunnen Uw genade smeken.

Zij hebben in hun leer U opgevangen.
En als een spiegel voor zich opgehangen.
Daar zagen zij hun eigen aangezicht
En meenden dat Gij waart naar hun verlangen.

(1924, geschreven tijdens De Mérodes verblijf in het Huis van Bewaring in Groningen)

Mijn zoon, geef Mij uw hart

De zomernacht werd zwart,
Toen, zacht en duidlijk klonk er
Een klare stem door ’t donker:
Mijn zoon, geef Mij uw hart.

Ik aarzelde…verward…
Was het de wind die zoefde?
En weer zei, maar bedroefder,
De stem: geef Mij uw hart.

Ik wrong mij op den grond
Tot ik de worden vond:
Heer, ’t moet door U genomen!

En nog eens overviel
Die stille stem mijn ziel:
Daartoe ben Ik gekomen.

De worsteling

Hij huiverde; toen hij gebeden had
En weder door de droge beek wou gaan,
Zag hij een Engel vliegen langs de maan.
En vleuglings hield een schaduw hem omvat,
En boog hem achterover en hij viel.
Iets zachts, dat langs zijn oogen borstelde,
Verblindde hem, hij sloeg en worstelde,
En sloeg, en blies in een gezicht, en viel
Met de Engel brandend om zich heen gewonden.
En in dien witten nacht heeft hij zijn zonden
Zoo zeer beleden en zoo zeer geboet,
Dat hij niet voelde hoe zijn heup verwrikte,
Maar om de zegen van den Engel snikte…
Toen hinkte hij de morgen tegemoet.

Advertenties

Een gedachte over “Willem de Mérode

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s